Leestijd: 5 min
Blessures en ouders: twee realiteiten die je grootste kracht… of je ergste nachtmerrie kunnen worden. Die zin kan hard klinken. Maar hij zegt iets heel reëels over het traject van jonge sporters: een traject kan wankelen omdat het lichaam niet meer kan volgen. En soms omdat de omgeving te zwaar wordt om te dragen.
Dit artikel werd geschreven naar aanleiding van onze podcast met Loïc Kisuesue, waarin hij heel raak essentiële onderwerpen aansnijdt om beter te begrijpen wat een atleet toelaat zich op te bouwen, het vol te houden en zich niet te verliezen in zijn sportieve traject.
De blessure raakt de identiteit
De eerste realiteit die een carrière kan ondermijnen, is de blessure. En die is nooit enkel fysiek. Bij een atleet raakt ze ook de identiteit. Wanneer een speler geblesseerd is, verliest hij niet alleen speeltijd. Hij kan zijn plaats in de groep verliezen, zijn ritme, zijn vertrouwen, zijn gevoel te bestaan in de ogen van de coach. Hij kan zich aan de kant gezet, vergeten, vervangen voelen. Dus wil hij snel terugkomen. Soms te snel. Voor sommige jongeren, vooral wie zich bijna volledig via zijn sport definieert, raakt de blessure een diepe vraag: “Als ik niet meer speel, wie ben ik dan?”.
Onderzoek toont dat blessures een grote rol spelen bij het stoppen met sport. In een studie bij 544 atleten op hoog niveau in de atletiek was ongeveer 20 % gestopt, en blessures waren de belangrijkste oorzaak: 46,2 % van wie stopte, deed dat door blessureproblemen. Meer dan een derde van de geblesseerde atleten meldde nog symptomen of restletsels na hun eerste blessure, en bijna de helft had een herval gekend (Edouard et al., 2024). Dat toont één ding duidelijk: een slecht begeleide blessure kan sporen nalaten in het vertrouwen, de goesting en de manier waarop je jezelf als atleet ziet.
Angst vermomd als moed
Een speler die te vroeg terugkomt omdat hij “zich klaar voelt”, moet waakzaam zijn, want soms komt hij vooral terug uit angst. Angst om zijn plaats te verliezen. Angst om te ontgoochelen. Op dat moment is het dus belangrijk, als coach en ouders, eraan te herinneren dat rust deel uitmaakt van de prestatie. Zich laten verzorgen, recupereren, slapen, de stappen respecteren, revalideren en actieve rust aanvaarden: dat is bouwen aan wat komt. Zo kan het lichaam sterker terugkomen en het hoofd weer veiligheid vinden. Ondertussen kan hij werken aan zijn mobiliteit, ademhaling, visualisatie, slaap, voeding, concentratie, videoanalyse of spelinzicht. Het is ook een kans voor de geblesseerde atleet om geduld te ontwikkelen.

De tweede realiteit: de ouders
Ook hier moeten we heel genuanceerd zijn. Ouders zijn vaak de eerste steun van de jonge speler. Zij brengen hem naar de training, betalen, moedigen aan, troosten, en geloven soms eerder dan wie ook in hem. Zonder ouders zouden veel sporttrajecten niet eens mogelijk zijn. Maar steun kan soms omslaan in druk. En wanneer de sport de plek wordt waar het kind de dromen, offers of frustraties van de volwassene moet goedmaken, verschuift er iets. Het kind speelt niet meer alleen voor zichzelf. Het speelt om het geïnvesteerde geld te rechtvaardigen. Het speelt om de bezorgdheid van de ouder te sussen. Het speelt om graag gezien, erkend, bevestigd te worden. Daar is begeleiding (van ouders en atleten) essentieel, want sommige jongeren stoppen omdat de sport psychisch te zwaar beladen geworden is.
Recente gegevens over jeugdsport tonen ook dat het gedrag van ouders zwaar weegt op doorgaan of stoppen. In een nationale bevraging van het Aspen Institute meldden jongeren die met sport gestopt waren meer druk van hun ouders dan wie doorging: 21 % van de vroegere sporters zei gepusht te zijn om te spelen terwijl ze er geen zin in hadden, tegenover 9 % van de huidige sporters. Ze meldden ook meer vergelijkingen met andere spelers: 18 % tegenover 13 %. Bij meisjes die gestopt waren, waren de cijfers nog uitgesprokener: 25 % zei vergeleken te zijn met andere speelsters, en 24 % gepusht te zijn om te spelen terwijl ze er geen zin in hadden (Aspen Institute Project Play, 2026).
Deze cijfers dienen om te begrijpen, niet om je schuldig te voelen.
Want een ouder kan veel kwaad doen terwijl hij het goed bedoelt. Hij kan herhalen “ik wil gewoon dat hij zijn best doet”, terwijl het kind hoort “ik mag niet falen”. Hij kan zeggen “ik geloof in je”, terwijl het kind voelt “ik moet slagen om jou niet te ontgoochelen”. Hij kan denken te steunen, terwijl hij een verwachting doorgeeft. Het probleem is dus niet de ambitie van de ouder. Het probleem is wanneer de ambitie meer plaats inneemt dan het kind zelf en wat het waarneemt en voelt. Een jonge speler heeft nood aan een kader. Aan eisen, discipline, grenzen. Maar hij moet ook voelen dat zijn waarde niet afhangt van zijn laatste wedstrijd. Dat hij mag twijfelen zonder als zwak bestempeld te worden. Dat hij op zijn eigen tempo mag groeien zonder ieders dromen op zijn schouders te dragen.
Blessures en ouders kunnen een carrière dus “vernietigen” wanneer ze niet begeleid worden. Maar ze kunnen ook de grootste krachten worden. Een blessure kan een speler leren naar zijn lichaam te luisteren, geduld te ontwikkelen en zijn identiteit te versterken buiten de prestatie. Een ouder kan een enorme bron van stabiliteit worden.
Bij AU MENTAL geloven we dat je een carrière evengoed moet beschermen als opbouwen: door het lichaam van de speler te respecteren, hem te begeleiden bij blessures en ouders te helpen een steun te zijn in de carrière van hun kind. Om verder te gaan, ontdek ons gesprek met Loïc Kisuesue in de laatste AU MENTAL-podcast, waarin hij terugkomt op die realiteiten die het traject van een jonge speler kunnen tekenen.
Bibliografie
Aspen Institute Project Play. (2026). Aspen Institute national survey of youth and sports: 15 key findings. The Aspen Institute.
Crane, J., & Temple, V. (2015). A systematic review of dropout from organized sport among children and youth. European Physical Education Review.
Edouard, P., Navarro, L., Branco, P., Gremeaux, V., Timpka, T., & Junge, A. (2024). Understanding the first injury in athletics and its effect on dropout from sport.
Lees ook





